Je hebt bloedonderzoek laten doen, in de hoop eindelijk een antwoord te krijgen. Maar je normale bloedwaarden zien er goed uit – alles binnen de range, niets aan de hand. Je huisarts stelt je gerust. Maar jij voelt je helemaal niet normaal. Je bent moe, of nee, uitgeput zelfs. De dag duurt lang, je stort om 15.00 uur en je bent blij als je ‘s avonds in je bed ligt en de dag weer hebt overleefd. Bovendien valt je haar uit, je hormonen gaan alle kanten op en je gewicht wil ook niet zakken, hoe gezond je ook eet.
Maar hoe kan dit?
Het antwoord zit in iets wat de meeste mensen nooit te horen krijgen: normaal betekent niet hetzelfde als optimaal. En het verschil tussen die twee kan alles verklaren.
Wat zijn normale bloedwaarden eigenlijk?
Elke uitslag van een bloedonderzoek wordt vergeleken met een referentiewaarde, een range waarbinnen jouw waarde normaal is. Maar hoe wordt die range bepaald?
Het NHG legt het zelf uit: referentiewaarden (ofwel normale bloedwaarden) worden vastgesteld door een grote groep mensen te testen en vervolgens het middelste 95% van alle uitslagen te nemen als norm. De onderste 2,5% en de bovenste 2,5% vallen buiten de range, ook al zijn die mensen volledig gezond (NHG Laboratoriumdiagnostiek, richtlijn).
Dit heeft een belangrijke consequentie: per definitie valt 5% van volledig gezonde mensen buiten het normale bereik. Niet omdat er iets mis is, maar puur vanwege statistiek.
Maar er is nog een groter probleem.
Normaal gebaseerd op wie?
De populatie die wordt gebruikt om referentiewaarden (ofwel normale bloedwaarden) te bepalen is een doorsnede van de bevolking. En die doorsnede is niet bepaald een toonbeeld van optimale gezondheid.
In Nederland leeft meer dan de helft van de volwassen bevolking met overgewicht. Chronische vermoeidheid, insulineresistentie, subklinische tekorten aan vitamine D, B12 en magnesium zijn geen uitzonderingen maar eerder de regel. Als die mensen meedoen in de referentiepopulatie, weerspiegelt de norm hun gemiddelde. Niet wat optimaal is.
Dit is precies waarom ik in mijn praktijk altijd zeg: referentiewaarden vertellen je of je ernstig ziek bent. Ze vertellen je niet of je goed functioneert.
Waarom verandert dit niet gewoon?
Een logische vraag: als dit bekend is, waarom passen artsen hun aanpak dan niet aan?
Het antwoord zit niet in kennisgebrek maar in hoe het systeem werkt. Er kunnen honderden studies zijn die aantonen dat een ferritine onder 50 bij vrouwen met vermoeidheidsklachten suboptimaal is, maar zolang de officiële beroepsverenigingen zoals het NHG die studies niet hebben vertaald naar een richtlijn, handelt een arts er niet naar. Niet omdat hij het niet weet, maar omdat de richtlijn het niet voorschrijft.
Het vertalen van wetenschappelijk bewijs naar klinische richtlijnen duurt gemiddeld 17 jaar, een gegeven dat meerdere keren onafhankelijk is onderzocht en bevestigd, al varieert dit per specialisme (Morris et al., 2011). Beroepsverenigingen, zorgverzekeraars en overheidsinstanties bepalen wat er in een richtlijn komt. Die kijken naar kosteneffectiviteit en wat breed toepasbaar is voor de massa. Nuance en maatwerk passen daar moeilijk in.
Het betekent niet dat artsen onwetend zijn. Het betekent dat het systeem langzaam beweegt en gericht is op de gemiddelde patiënt. En jij bent geen gemiddelde patiënt.
Het verschil tussen normaal en optimaal
Stel je voor dat je een auto hebt en je meet hoeveel olie er in zit. De meter geeft aan dat je net boven het minimum zit. Technisch gezien is er geen probleem. Maar rijd je hiermee optimaal? Nee, de motor werkt harder dan nodig, slijt sneller en presteert minder.
Zo werkt het ook met bloedwaarden. Een waarde kan net binnen de referentierange vallen en toch te laag zijn voor jouw lichaam om goed te functioneren. Dat noemen we een functioneel tekort, en dat is precies wat in regulier bloedonderzoek systematisch wordt gemist.
Concrete voorbeelden
Vitamine B12
De reguliere ondergrens ligt in Nederland vaak rond 150-200 pmol/L. Orthomoleculaire artsen, functioneel geneeskundigen en therapeuten beschouwen waarden onder 400 pmol/L als suboptimaal, zeker bij klachten van vermoeidheid, tintelingen of concentratieproblemen. Het verschil tussen 200 en 400 is op papier normaal. In de praktijk kan het het verschil zijn tussen uitgeput zijn of niet.
Wil je meer weten over B12 en welke suppletievorm echt werkt? Lees dan dit artikel over een vitamine B12 tekort.
Vitamine D
De reguliere range loopt van 50 tot 250 nmol/L. Maar onderzoek naar immuunfunctie, hormoonbalans en spierkracht wijst uit dat waarden boven 100 nmol/L, bij voorkeur richting 120-150, aanzienlijk beter zijn voor de gezondheid op de lange termijn. Een waarde van 55 is normaal. Optimaal is het niet.
Meer weten over vitamine D en waarom je het altijd combineert met K2? Lees dan dit artikel over vitamine D tekort.
TSH en de schildklier
De reguliere bovengrens voor TSH ligt in Nederland vaak tussen 4,0 en 5,0 mIU/L. Veel orthomoleculair artsen, functioneel geneeskundigen en therapeuten beschouwen een TSH boven 2,0 mIU/L al als suboptimaal, zeker in combinatie met klachten als vermoeidheid, kouwelijkheid of gewichtstoename. Een TSH van 3,8 mIU/L is dus normaal, maar voor jouw lichaam kan het betekenen dat je schildklier harder moet werken dan nodig.
Wil je weten waarom een normaal TSH je klachten niet uitsluit? Lees dan dit artikel over schildklierklachten met normale bloedwaarden.
Ferritine
Ferritine is de opslagvorm van ijzer en een van de meest onderschatte waarden in regulier bloedonderzoek. De reguliere ondergrens bij vrouwen ligt vaak rond 10-15 µg/L. Functioneel optimaal is boven 50-70 µg/L. Een ferritinewaarde van 18 is normaal. Maar bij die waarde kun je al jarenlang rondlopen met uitputting, haaruitval en concentratieproblemen, terwijl je bloedonderzoek er prima uitziet.
Nuchtere insuline, HOMA 2 en de bètacelfunctie
Een van de meest waardevolle maar in Nederland nauwelijks aangevraagde waarden is nuchtere insuline. Je huisarts meet bij twijfel over bloedsuikerproblemen meestal alleen nuchtere glucose en soms HbA1c. Maar glucose stijgt pas als het lichaam al jarenlang heeft gecompenseerd door steeds meer insuline aan te maken. Op het moment dat glucose afwijkt, is insulineresistentie al lang aanwezig.
Nuchtere insuline maakt die vroege fase zichtbaar. Nog nauwkeuriger is de HOMA 2-index, een wiskundig computermodel ontwikkeld aan Oxford University in 1985 en later verfijnd, maar tot op heden zelden ingezet in de reguliere praktijk. De HOMA 2-index berekent drie dingen tegelijk: de insulineresistentie, de insulinegevoeligheid van de cellen, én de bètacelfunctie, ofwel hoe hard de alvleesklier werkt om de bloedsuiker normaal te houden. Voor niet-diabetici wordt bij voorkeur C-peptide gebruikt in plaats van alleen insuline, omdat C-peptide stabieler is en niet door de lever wordt afgebroken. Dat maakt de berekening nauwkeuriger, en alleen gespecialiseerde labs en therapeuten die verstand hebben van insulineresistentie maken dit onderscheid.
Dit laatste is het meest onderscheidende inzicht. Een bètacelfunctie van 140% betekent dat de alvleesklier 40% harder werkt dan normaal om een normale nuchtere bloedsuiker te handhaven. De insulinegevoeligheid van de cellen is dan al significant gedaald, maar glucose ziet er nog volledig normaal uit. Zelfs C-peptide, de directe maat voor insulineproductie door de bètacellen, valt nog binnen de referentierange.
Dit is precies hoe insulineresistentie jarenlang onopgemerkt blijft: de alvleesklier compenseert zo hard dat alle standaard waarden normaal lijken. Pas als de alvleesklier het niet meer bijhoudt, soms pas na jaren, beginnen glucose en HbA1c te stijgen. Dan is er al sprake van pre-diabetes of diabetes type 2, terwijl het probleem veel eerder had kunnen worden opgespoord en aangepakt.
De HOMA 2-index wordt in Nederland vrijwel uitsluitend aangevraagd door functioneel geneeskundigen, therapeuten en gespecialiseerde artsen die verder kijken dan standaard glucosewaarden. In de reguliere huisartsenpraktijk bestaat deze meting voor de meeste mensen niet. Jammer, want door deze waarden regelmatig te laten checken, kun je insulineresistentie opsporen in een fase waarin het nog volledig omkeerbaar is, lang voordat glucose of HbA1c afwijken en de schade al is aangericht.
Homocysteine
Homocysteïne is een aminozuur dat vrijkomt bij de afbraak van methionine. Bij een goed werkende methylatie wordt homocysteïne snel omgezet, maar daarvoor zijn vitamine B12, foliumzuur en B6 nodig. Als die omzetting niet goed verloopt, stapelt homocysteïne zich op.
Een verhoogd homocysteïne is geassocieerd met een hoger risico op hart- en vaatziekten, cognitieve achteruitgang en zwangerschapscomplicaties. Maar het is ook een directe indicator voor een verstoorde methylatie, een proces dat betrokken is bij hormoonbalans, ontgifting, neurotransmitteraanmaak en DNA-herstel.
Toch wordt homocysteïne in standaard bloedonderzoek bijna nooit gemeten. De optimale waarde ligt onder 9 µmol/L. Bij waarden boven 12 is er duidelijk reden voor actie, ook al valt dit nog binnen sommige reguliere referentieranges.
Serum magnesium
Magnesium is een bijzonder geval. Het wordt wél regelmatig gemeten in standaard bloedonderzoek, maar wat er gemeten wordt zegt weinig. Serum magnesium, de hoeveelheid magnesium in het bloed, vertegenwoordigt slechts 1% van de totale magnesiumvoorraad in het lichaam. De overige 99% zit in cellen en weefsels, en dat is waar magnesium zijn werk doet.
Het lichaam reguleert serum magnesium nauwkeurig door magnesium uit botten en spieren te halen als het serumniveau dreigt te dalen. Dat betekent dat serum magnesium pas afwijkt als er al een ernstig tekort is. Een normaal serum magnesium sluit een functioneel tekort dus helemaal niet uit.
RBC magnesium, gemeten in de rode bloedcellen, geeft een nauwkeuriger beeld dan serum magnesium. Het is beschikbaar via sommige privélabs in Nederland en wordt soms aangevraagd door functioneel geneeskundigen. Maar ook deze meting is een benadering, hij weerspiegelt de magnesiumstatus in bloedcellen, niet in spier- of hersenweefsel waar magnesium het meest actief is.
In de praktijk wordt een magnesiumtekort daarom het beste ingeschat op basis van klachten. Denk aan spierkrampen, kaakklemmen, tandenknarsen, slaapproblemen, prikkelbaarheid, hoofdpijn en hartkloppingen. Zijn die klachten aanwezig? Dan is gerichte suppletie zinvol, ongeacht wat het bloedonderzoek laat zien. Welke vorm daarbij het beste past lees je in dit artikel over magnesiumvormen.
Wat dit betekent voor jouw bloedonderzoek
Als jouw huisarts zegt dat alles normaal is, hoeft dat niet te betekenen dat alles optimaal is. Het betekent dat jouw waarden vallen binnen de range die statistisch is vastgesteld op basis van een populatie die zelf ook niet optimaal gezond is.
Dat is een fundamenteel andere manier van kijken naar je gezondheid.
De vraag die ik stel bij een bloedanalyse is niet: valt deze waarde binnen de referentierange? De vraag is: is deze waarde optimaal voor dit lichaam, gegeven de klachten, de leefstijl en de onderlinge samenhang van alle waarden samen?
Want waarden vertellen pas echt iets als je ze in context ziet. Een ferritine van 20 met een B12 van 180 en een vitamine D van 55 zegt veel meer dan elke waarde apart. Samen schetsen ze een patroon, en dat patroon is wat ik zoek.
Wanneer is een waarde dan wel echt afwijkend?
Hoe lang het herstel duurt, verschilt per vrouw en is vaak ook afhankelijk van hoe lang je de pil hebt gebruikt, welke tekorten er zijn ontstaan, of er een onderliggend probleem is en hoe je lichaam in het algemeen functioneert.
De meeste vrouwen merken verbetering binnen drie tot zes maanden bij een gerichte aanpak. Voor anderen duur het langer. Er wordt geadviseerd om het in elk geval minimaal 3 maanden de tijd te geven, om effecten van bepaalde ingezette interventies te kunnen beoordelen.
Het belangrijkste is dat je niet afwacht tot alles vanzelf goed komt, maar begrijpt wat er speelt en daar gericht op inspeelt.
Wil je op functioneel niveau inzicht krijgen in wat er in jouw lichaam speelt? De energetisch morfologische bloedtest (EMB) geeft inzicht in wat er energetisch speelt, een waardevolle eerste stap. Wil je daarnaast biochemisch en functioneel in kaart brengen wat er speelt op het gebied van je hormonen, schildklier, ferritine en bloedsuikerspiegel? Dat is een holistische bloedanalyse de logische vervolgstap.
Conclusie
Normaal is niet optimaal. Referentiewaarden zijn een statistisch instrument om ernstige ziekte op te sporen, niet om te beoordelen of jij optimaal functioneert. Als jij je niet goed voelt terwijl je bloedonderzoek normaal is, is dat geen reden om het te accepteren. Het is een reden om verder te kijken.
Bij een holistische bloedanalyse kijk ik naar meer dan 70 waarden tegelijk, waaronder waarden die in de reguliere praktijk zelden of nooit worden aangevraagd, zoals nuchtere insuline, HOMA 2, homocysteïne en schildklierantistoffen. Niet om een vinkjeslijst af te werken, maar om te zien of jouw waarden optimaal zijn voor jouw lichaam en wat ze samen vertellen. Je krijgt een concreet en persoonlijk advies over wat er speelt en wat je eraan kunt doen.
Let op: Healthy body and mindset streeft ernaar om in haar materiaal altijd juiste en actuele informatie aan te bieden. Hoewel deze informatie met de hoogst mogelijke zorgvuldigheid is samengesteld, staat Healthy body and mindset niet in voor de volledigheid, juistheid of actualiteit van de informatie. Bovendien kan deze informatieve blog verouderde informatie bevatten, afhankelijk van wanneer je deze leest. De informatie in deze blog is niet bedoeld om een diagnose te stellen en/of te genezen, te behandelen of ziekten te voorkomen. Deze informatie vervangt nooit de diagnostiek, verpleging en verzorging vanuit de reguliere gezondheidszorg. Bovendien bevat deze informatieve blog algemene informatie rondom onze gezondheid, voeding, suppletie en leefstijl en geen één-op-één advies. Het opvolgen van het gegeven advies is geheel op eigen risico. Wil je wel graag advies op basis van jouw situatie? Neem dan contact op.
Referenties
NHG. Laboratoriumdiagnostiek. NHG-richtlijn. nhg.org
NVKC (Allesovertesten.nl). Wat betekenen de referentiewaarden bij mijn uitslag. allesovertesten.nl
Fidlab. HOMA-index: vroegtijdige detectie van metabole aandoeningen. fidlab.be
Matthews DR et al. (1985). Homeostasis model assessment: insulin resistance and beta-cell function from fasting plasma glucose and insulin concentrations in man. Diabetologia 28:412-419
Morris ZS, Wooding S, Grant J. (2011). The answer is 17 years, what is the question: understanding time lags in translational research. Journal of the Royal Society of Medicine. 104(12):510-520.
